U bent hier: Home / Artikels / 2021 / De wereld binnen handbereik

De wereld binnen handbereik

Ontstaan en uitbouw van het blindenonderwijs in België | Roeland Hermans

Ontstaan en uitbouw van het blindenonderwijs in belgië

Roeland Hermans

Nadat Gustaf Verhaeghe door Guido Gezelle op het podium was geholpen, las hij ‘door het aanvoelen der letters op doorstekte bladen’ een gedicht voor van de bekende priester-dichter. Het was 19 augustus 1895 en onder grote belangstelling werd een standbeeld van Désiré De Haerne ingehuldigd op de Grote Markt van Kortrijk. Het palmares van priester De Haerne, die vijf jaar eerder was overleden, werd een monument waard bevonden. Hij had een rol gespeeld bij de onafhankelijkheid van België en nadien in de Kamer gezeteld. Zijn contacten in de kerk hadden gereikt van Brugge tot Rome. En was er ook niet zijn inzet geweest voor het onderwijs van dove en blinde kinderen? Als Kortrijkzaan en leerling van een blindenschool mocht de jonge Gustaf het huldegedicht voorlezen: ‘De Haerne, al wierd ik blind, nog nauwelijks geboren, / mijn vingers vinden u, al vindt mijn ooge u niet; / ofschoon ik ’t leven heb, schier met het licht, verloren, / toch woont een herte in mij, dat u gevoelt en ziet.’ Het onderwijs voor blinde kinderen had op het moment van deze huldeblijk al stevig vorm gekregen in België. Naar aanleiding van een dubbeltentoonstelling in Brugge en Leuven, waarin het erfgoed van het blindenonderwijs centraal staat, verkennen we de ontstaansgeschiedenis van dat onderwijs en belichten we aspecten van de dagelijkse lespraktijk aan de hand van de educatieve hulpmiddelen die werden gebruikt in de scholen en waarmee ‘de wereld binnen handbereik’ van de kinderen kwam.

Een doofblind meisje van het instituut van de zusters van Liefde van Jezus en Maria aan de Papenvest in Brussel met zuster Leonora Lampaert en directeur Désiré De Haerne (jaren 1860).
[Erfgoedhuis | Zusters van Liefde: A09-BEL-Brussel, Papenvest-02]

Stichters, religieuzen en cijfers

In de loop van 1835 kwam Marie Caroline Petitjean, afkomstig uit de buurt van Verviers, aan in het doven- en blindeninstituut voor meisjes in Brussel, dat het jaar voordien de deuren had geopend. Ondanks kleinschalige initiatieven in de decennia voordien markeerde de oprichting van het instituut aan de Papenvest de definitieve start van het blindenonderwijs in België. Marie Caroline was het eerste blinde meisje in de school. De eigenheid van de instelling bleek kenmerkend voor soortgelijke initiatieven in de jaren daarop. Zo was het instituut niet louter een school voor blinde kinderen, maar bood het ook én vooral onderdak aan kinderen met een auditieve beperking. Hoewel er elders in het land al afzonderlijke doveninstituten bestonden, zou het onderwijs voor kinderen met eender welke sensoriële handicap in de toekomst vaak in dezelfde scholen worden ingericht. Daarnaast was het instituut overduidelijk een privé-initiatief. 
Het kon rekenen op steun van de overheid, maar die liet zich niet in met de praktische uitbouw van de instelling en bijkomende financiële inbreng van gegoede burgers bleek noodzakelijk.

Die laatsten hadden voor de oprichting van het instituut contact gezocht met kanunnik Petrus Jozef Triest (1760-1836), stichter van onder meer de zusters van Liefde van Jezus en Maria en de broeders van Liefde en initiatiefnemer van twee doveninstituten in Gent. Hij koos ervoor de zusters, die in hun apostolaat wel vaker onderwijs en zorg combineerden, in te schakelen in de nieuwe Brusselse school. In 1835 sloeg Triest de gekozen weg verder in met de oprichting van een tweede doven- en blindeninstituut in de hoofdstad, ditmaal gericht op jongens en in handen van ‘zijn’ broeders. Gustaf Verhaeghe uit Kortrijk zou er tientallen jaren later schoollopen en Désiré De Haerne (1804-1890) was in de jaren 1860 directeur geweest van de school van de zusters. Beide instellingen van Triest werden trouwens kort na hun oprichting reeds met de titel ‘koninklijk’ vereerd en bestaan, tal van onderwijshervormingen later, vandaag nog altijd: de eerste school verhuisde in 1956 naar Ukkel, de tweede maakte enkele tussenstops om zich in 1878 te vestigen in Sint-Lambrechts-Woluwe.

Dat de Belgische overheid in de eerste helft van de negentiende eeuw geen rijksinstellingen oprichtte en de uitbouw van de instituten overliet aan het initiatief van particulieren, betekende niet dat ze onverschillig bleef voor het lot van mensen met een sensoriële handicap. Ontwikkelingen in de geneeskunde, de filosofie en het politieke denken hadden die groep in de tweede helft van de achttiende eeuw scherper onder de aandacht gebracht. In het voorjaar van 1835 organiseerde België een uitgebreide telling om ze in allerlei statistieken te vatten. Naast zo’n 1700 dove betrof het 3892 blinde mensen. De oorzaken van hun blindheid werden in kaart gebracht en het mogelijke verband met hun beroepsbezigheden werd geduid. De onderwijsnoden van blinde kinderen waren dan weer onderwerp van gesprekken in de Kamer. Onder anderen Alexander Rodenbach (1786-1869), volksvertegenwoordiger uit Rumbeke, nam het woord. Nadat hij als elfjarige blind was geworden, had hij gestudeerd aan het blindeninstituut van Valentin Haüy (1745-1822) in Parijs, dat gold als een van de eerste en invloedrijkste scholen in Europa. In het parlement legde Rodenbach in 1836 mee de basis voor de financiering van het onderwijs voor behoeftige blinde en dove kinderen.

Die wetgeving gaf de noodzakelijke stimulans voor de oprichting van bijkomende doven- en blindeninstituten. Reeds in september 1836 opende er een in Brugge. De drijvende kracht achter de school was de ambitieuze kanunnik Charles Louis Carton (1802-1863). Net zoals in Brussel kwam de bediening van het instituut in handen van religieuzen te liggen. Carton stichtte daartoe een nieuwe congregatie, namelijk die van de zusters van de Kindsheid van Maria, waaraan later de naam ‘ter Spermalie’ werd toegevoegd. Het instituut stond het eerste jaar alleen open voor dove kinderen, een groep aan wie Carton vroeger zelf onderricht had gegeven. Om zich verder te bekwamen in zijn taak als directeur en de school ook open te stellen voor blinde kinderen, ondernam hij in opdracht van de regering in 1837 studiereizen naar Parijs en doorheen Engeland en Schotland. Hij leerde in een blindeninstituut in de Franse hoofdstad onder andere schoeisel maken, een ambacht dat beroepsuitwegen bood voor de leerlingen. In een brief aan de zusters in Brugge – ‘Mes chères enfants’ – liet hij weten: ‘Ik moet ook manden leren maken, want zie je, om het aan anderen te leren, moet je het eerst zelf kunnen.’

Met de komst van blinde leerlingen in september 1837 was Spermalie het derde blindeninstituut in het land. Gelijktijdig werden in een bestaand doveninstituut in Luik – eveneens een privé-initiatief, maar niet bestuurd door religieuzen – de eerste blinde kinderen toegelaten en begin jaren 1840 opende in Maaseik nog een doven- en blindeninstituut de deuren. Religieuzen kregen opnieuw de dagelijkse onderwijs- en zorgpraktijk toevertrouwd, namelijk de zusters van Liefde van Tilburg en, zodra jongens werden toegelaten, ook de fraters van Tilburg. Beide Nederlandse congregaties zouden op meerdere plaatsen in België, voornamelijk in Limburg, apostolaatwerk in het onderwijs en de zorgsector verrichten.

Pianoles in het instituut van de broeders van Liefde in Sint-Lambrechts-Woluwe (1887).
[Broeders van Liefde (Gent), Centraal archief, Archief Koninklijk Instituut voor Doven en Blinden: M4]
Het schoolmuseum van het Spermalie-instituut in Brugge met de educatieve hulpmiddelen voor de leerlingen. De basis ervoor werd gelegd door Charles Louis Carton.
[Vzw De Kade]
Aardrijkskundeles in het Ganspoel-instituut met kaarten en wereldbollen in reliëf (jaren 1950).
[Archief Zusters van Sint-Vincentius a Paulo - Dendermonde: 474]

 

De blinde pater

Door een wisselend samenspel van gedreven persoonlijkheden, dienstbare religieuzen en een ondersteunende overheid kreeg het blindenonderwijs in België in slechts een paar jaar tijd institutioneel vorm. In de tweede helft van de negentiende eeuw en ook in het begin van de twintigste eeuw zagen nog bijkomende scholen het licht, waarvan de stichting soms opmerkelijke gelijkenissen vertoonde met de beginjaren. Dat was onder meer het geval voor de instelling Ganspoel in Huldenberg, waartoe pater Agnello Van den Bosch (1883-1945) het initiatief nam. Die minderbroeder had het zicht verloren in de nasleep van zijn activiteiten als aalmoezenier in het fort van Suarlée, een onderdeel van de verdedigingsgordel rond Namen, tijdens de beginweken van de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog werd er werk gemaakt van de re-educatie van ‘oorlogsinvaliden’, onder wie ook blinde personen. Pater Agnello bijvoorbeeld verbleef een tijd in het Instituut voor Oorlogsblinden in Watermaal-Bosvoorde, waar hij leerde zich zelfstandig te oriënteren en braille te lezen. Verschillende blindenorganisaties werden trouwens in die dagen opgericht, zoals Licht en Liefde in 1923 door twee leraren van het Spermalieinstituut. Zelf stichtte pater Agnello een jaar eerder het Nationaal Werk der Blinden, dat ateliers inrichtte waar blinde volwassenen werkervaring konden opdoen.

Het was binnen de schoot van die organisatie en met de financiële steun van zogenaamde weldoeners dat de minderbroeder het Ganspoel-instituut voor slechtziende en blinde kinderen oprichtte. De zorg voor de kinderen – het ging in eerste instantie om opvang en nog niet om onderwijs – liet hij over aan de annonciaden van Huldenberg, van wie de eerste drie zusters in mei 1929 aankwamen. Na een conflict werden ze in 1941 vervangen door de zusters van Sint-Vincentius a Paulo van Dendermonde. Zij begonnen met een bewaarschool en openden twee jaar later ook een lagere school. Intussen was pater Agnello opgepakt door de Duitse bezetter op verdenking geallieerde parachutisten onderdak te verlenen. Na opsluiting in allerlei kampen overleed hij uiteindelijk op 9 maart 1945 in Dachau. In 1950 droeg zijn Nationaal Werk der Blinden Ganspoel helemaal over aan de zusters. De school bestaat vandaag nog altijd en naast slechtziende en blinde kinderen kunnen ook kinderen met een meervoudige beperking er terecht.

Brailleschrijfplankje met prikpen uit het Spermalie-instituut in Brugge.
[Vzw De Kade / foto: © Rossano Bacchin]

 

Gevoelige letters

Gelijktijdig met de institutionele uitbouw van het blindenonderwijs startte de zoektocht naar geschikte onderwijsmethoden en educatieve hulpmiddelen, afgestemd op de leerlingen. Een van de moeilijkste vraagstukken in de eerste decennia was hoe blinde kinderen leren lezen en schrijven. Tal van leesmethoden en schriften zagen in de negentiende eeuw het licht en werden door hun uitvinders verdedigd op internationale fora. Van zijn eerder genoemde studiereizen in 1837 bracht Carton allerlei blindenschriften mee naar het Brugse Spermalie-instituut. De meeste van die schriften waren gebaseerd op het gewone Latijnse alfabet, maar dan in goed voelbaar reliëf. Het bekendste voorbeeld van zo’n hoogdruk waren de reliëfletters van Valentin Haüy uit Parijs. In zowat alle Belgische blindenscholen leerden de kinderen aanvankelijk op die manier lezen en schrijven. 

Tijdens studiereizen maakten onder anderen Carton en broeder Julien Liesenhof (1815-1877), leraar aan de Brusselse blindenschool voor jongens, echter kennis met Louis Braille (1809-1852) en zijn methode. Het puntenschrift van Braille, die op driejarige leeftijd blind was geworden, droeg de belangstelling van de Belgen weg. Broeder Julien onderzocht de bruikbaarheid ervan bij de eigen leerlingen en lichtte Braille in over zijn bevindingen. Sommige verfijningen aan de methode zouden er zijn gekomen op aangeven van de broeder, die het schrift vrij vroeg een plaats gaf in het curriculum in Brussel. Het brailleschrift had sowieso enkele voordelen op de gangbare methoden: het bleek een vrij eenvoudig systeem en daardoor makkelijk aan te leren. Bovendien is de brailleletter veel kleiner dan een reliëfletter en past ze precies onder het gevoelige topje van de wijsvinger. Daardoor leest braille veel sneller dan hoogdruk.

Toch riep het brailleschrift ook weerstand op. Carton en veel van zijn collegapedagogen vonden het geen goed idee dat blinde mensen een geheel eigen, arbitrair schrift zouden gebruiken. In tegenstelling tot hoogdruk heeft braille immers geen enkel verband met het ziendenalfabet. Hoe zouden zienden en blinden dan schriftelijk met elkaar communiceren? De discussie ‘hoogdruk versus braille’ sleepte tientallen jaren aan. Maar ten slotte gaven de voordelen van braille toch de doorslag. Op een internationaal congres in 1878, een kleine twee decennia voor Gustaf Verhaeghe een gedicht van Gezelle in braille zou lezen voor een menigte in Kortrijk, verkozen leraren uit het blindenonderwijs braille als het te gebruiken standaardschrift. Intussen verbeterden ook de schrijfmethoden, van een schrijfplankje met prikpen tot de eerste brailletypemachines rond de eeuwwisseling.

Een opgezette Vlaamse gaai, die werd gebruikt in de lessen in het Spermalie-instituut in Brugge.
[Vzw De Kade / foto: © Rossano Bacchin]

Net echt

Zoals voor lezen en schrijven bestond er ook voor andere schoolvakken een uitwisseling van ideeën en methoden tussen de leraars en directeurs van Belgische blindeninstituten en hun buitenlandse collega’s. En ook hier gold dat de lespraktijk vaak leidde tot aanpassingen en verfijningen. Zo werden er onder meer in Brugge en in Brussel technische verbeteringen aangebracht aan de geografische reliëfkaarten die werden gebruikt tijdens de lessen aardrijkskunde. Opvallend, ook Alexander Rodenbach, die dergelijke kaarten kende uit zijn tijd in het Parijse blindeninstituut van Haüy, maakte daar werk van met geborduurde kaarten, waarop zijden banden grenzen en waterlopen aangaven. Het parlementslid volgde trouwens de evoluties in het blindenonderwijs met aandacht en publiceerde erover. In het bijzonder met het instituut van de broeders van Liefde onderhield hij nauwe contacten. Zo verbleef hij in deze school wanneer zijn politieke werk hem naar de hoofdstad bracht.

Naast de kaarten beschikten veel blindenscholen over een wereldbol in reliëf en ook andere educatieve hulpmiddelen hadden hetzelfde doel, namelijk de leerlingen de werkelijkheid laten voelen. En dus werd de wereld de klas binnengebracht in de vorm van onder meer reliëfplaten van het menselijke lichaam, verzamelingen stenen en opgezette dieren. Op die manier konden de kinderen ervaren hoe bijvoorbeeld een dier ‘echt’ is: welke vorm heeft het? Is het groot of klein, hard, zacht of stekelig? Zelfs in de godsdienstlessen werd die ervaringsgerichte methode toegepast. Waar ziende kinderen ‘misje speelden’ met kelken, kandelaars, een ciborie en een monstrans in miniatuur, werd dat spelmateriaal in de blindeninstituten ingezet voor toelichting bij de liturgie.

De leerlingen ontvingen evenwel niet alleen een algemene vorming, ze volgden ook een beroepsopleiding. Een eenvoudig beroep dat ze redelijk autonoom konden uitoefenen, zou hen niet afhankelijk maken van anderen en zelfs in staat stellen met zienden te wedijveren, aldus de initiatiefnemers. Sommige kinderen leerden kantklossen, breien, stoelen biezen of mandenmaken, andere volgden een opleiding tot pianostemmer of muzikant. De partituren waren voor de leerlingen leesbaar dankzij een muzieknotatie ontwikkeld door Louis Braille. Zowel Spermalie als de twee Brusselse instituten bouwden op het vlak van muziekonderwijs een goede reputatie op met eigen orkesten, die naam maakten buiten de schoolmuren.

Uiteraard ontvouwde deze geschiedenis zich niet onder een glazen stolp. Niet alleen was de uitbouw van het blindenonderwijs een uiting van veranderende opvattingen over mens en samenleving, de scholen zelf evolueerden doorheen de jaren ingrijpend. Nieuwe pedagogische opvattingen en technische toepassingen kregen er een plaats, maar bijvoorbeeld ook het doelpubliek wijzigde. Zo bestond er lange tijd weerstand om slechtziende leerlingen in het blindenonderwijs een plaats te geven. Zij werden ‘onafhankelijker’ bevonden en hun aanwezigheid in de klas zou de noodzakelijke orde en discipline verstoren. Pas in het interbellum kwam daar verandering in. Andersom krijgen slechtziende en blinde kinderen de laatste decennia almaar meer toegang tot het reguliere onderwijs, dat naar inclusieve leeromgevingen streeft.

Prentbriefkaart van blinde meisjes die mandenmaken in het Brugse Spermalie-instituut.
[Vzw De Kade]

 

De dubbeltentoonstelling De wereld binnen handbereik is een initiatief van Erfgoedcel Brugge en vzw De Kade. Ze wordt mee gerealiseerd door de curatoren Piet Devos en Tonia In den Kleef, Musea Brugge, KADOC-KU Leuven en vzw Licht en Liefde, met de steun van de Vlaamse overheid. De educatieve hulpmiddelen van het voormalige Spermalie-instituut, vandaag vzw De Kade, vormen het uitgangspunt voor twee presentaties, waarin de multizintuiglijke beleving voorop staat. De tentoonstelling in KADOC is te bezoeken van 3 mei tot 29 augustus. In het Arentshuis in Brugge kunt u terecht van 21 mei tot 29 augustus 2021. In het kader van de tentoonstelling in KADOC vertoont het Leuvense DisABILITY Filmfestival op 8 mei 2021 Katutu. De blinde van het eiland (1953) uit de filmcollectie van de Witte Paters, die in KADOC wordt bewaard en door een samenwerking met meemoo en CINEMATEK werd gedigitaliseerd.

Roeland Hermans is historicus en als publieksmedewerker verbonden aan KADOC-KU Leuven. 

Roeland Hermans, ‘De wereld binnen handbereik. Ontstaan en uitbouw van het blindenonderwijs in België’, in Koorts. Erfgoedmagazine van KADOC, 2020, 1, 28-35.