Lees de tekst die prof.dr. Emmanuel Gerard uitsprak op de finissage van de tentoonstelling.


Marc Sleen als karikaturist

In De IJzeren Kolonel, een “avontuur van Nero en co” uit 1957, verdwaalt Nero in een Egyptische piramide. Op een muurschildering die hij onderweg tegenkomt, herkent de stripheld tot zijn verbazing twee Belgische politici: eerste minister Achiel Van Acker krijgt er een trap van Theo Lefèvre, de christen-democratische oppositieleider, een verwijzing naar de schoolstrijd. Bijna veertig jaar later, in de jaren 1990, duikt een andere eerste minister op: zowel in Wonderboy (1993) en De Muurloper (1996), als in De staf van Bompa (1998) koopt Jean-Luc Dehaene een pakje friet bij Jan Spier, terwijl hij in De held der helden (1997) met een bak bier zeult. In andere Nero-strips uit diezelfde jaren worden allusies gemaakt op de (eerste) Golfoorlog en “de omkoopschandalen van tante Gusta en co”. Marc Sleen, de vader van het “dagbladverschijnsel” Nero, heeft inderdaad altijd de (politieke) actualiteit in zijn tekenverhalen laten meespelen. Dat hij ook gedurende een tiental jaren als karikaturist actief is geweest en daarom de Belgische en internationale politiek op de voet volgde, is nauwelijks bekend. “Marc Sleen: karikaturen”, de tentoonstelling die van 28 november tot 10 januari in de pandgangen van KADOC loopt, zal een tip van die sluier oplichten.

Deze tentoonstelling past in een project dat KADOC samen met de Gentse Kunsthal Sint-Pietersabdij heeft opgezet. Aanleiding was de tachtigste verjaardag van Marc Sleen op 30 december 2002. In Gent wordt vanaf eind november de volledige loopbaan van Sleen belicht: van de schilderijen en tekeningen die Marc Neels tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog maakt, over de stripfiguren als Piet Fluwijn en Bolleke, de Kapoentjes, Pollopof, Octaaf Keunink en Doris Dobbel, tot de 217 Nero-verhalen die hij gedurende meer dan een halve eeuw heeft getekend. In Leuven zet KADOC een ander aspect van Sleen in de verf en toont de politieke karikaturen die hij tot het midden van de jaren 1950 in diverse katholieke bladen publiceert. Ook worden de Nero-strips met een vergrootglas (zoals dat van detective Van Zwam) bekeken, op zoek naar sporen van de actualiteit.

De carrière van Sleen als karikaturist start in oktober 1944, toen, zoals Gaston Durnez later schrijft, “de vrede uitbrak. Bijna dagelijks moest Marc Sleen een spotprent leveren, op de politieke of andere aktualiteit. Zwaar werk, vooral in een land waar op gebied van krantenkarikatuur weinig traditie bestond.” Sleen is dan in dienst van de NV De Gids die o.m. de dagbladen De (Nieuwe) Standaard en Het Nieuwsblad en de weekbladen Ons Volk en Spectator uitgeeft. Daar kan hij zijn tekeningen kwijt, zowel de vele portretten van schrijvers, kunstenaars en (internationale) politici als cartoons (getekende moppen), strips (zoals De avonturen van Neus) en politieke karikaturen. In de maanden die op de bevrijding volgen, zijn vooral Hitler en zijn trawanten voorwerp van spot, terwijl ook de macht van Stalin en zijn Belgische communistische vrienden op de korrel wordt genomen. Voor de socialistische politicus Achiel Van Acker is er nog een zekere sympathie.

Dat verandert snel. De Gids is een christen-democratisch bastion en Sleen treedt als het ware op als de “huistekenaar” van de nieuwe partij, de Christelijke Volkspartij (CVP), die in 1945 boven de doopvont wordt gehouden. Vooral voor de parlementsverkiezingen van 1949 en 1950, de volksraadpleging n.a.v. de koningskwestie, eveneens in 1950, en de schoolstrijd in het midden van de jaren ’50 worden zijn talenten ingeschakeld. Zijn tekeningen rekenen radicaal af met de Belgische Socialistische Partij (BSP) van Van Acker, Paul Henri Spaak en Camille Huysmans. Hen wordt verweten op dezelfde “Moscou-lijn” te zitten als de communisten van Edgard Lalmand, terwijl de wegkwijnende liberale partij van Albert Devèze en Adolphe Van Glabbeke niet ernstig wordt genomen. De christen-democraten daarentegen zijn de toekomst en worden naar de absolute meerderheid gestuwd (die ze ook effectief behalen in 1950). Sleen tekent dan al voor De Nieuwe Gids, de opvolger van De Nieuwe Standaard, en voor Het Volk, de krant van de christelijke arbeidersbeweging die eind 1950 De Nieuwe Gids heeft overgenomen. Ook de Nero-verhalen, waarvan het eerste in 1947 is verschenen, krijgen onderdak bij Het Volk.

Marc Sleen concentreert zich vanaf die jaren vooral op zijn vele strips, naast “De avonturen van Nero en co” ook “De Lustige Kapoentjes”, “Piet Fluwijn en Bolleke”, “Oktaaf Keunink” en “Doris Dobbel”. Die laat hij allemaal vallen in 1965 als hij overstapt naar De Standaard. Voortaan, en dat tot eind 2002, legt hij zich toe op het “dagbladverschijnsel” Nero en diens steeds ruimer wordende familie- en vriendenkring. Toch kan Sleen zijn verleden als politiek karikaturist niet wegsteken. In Nero is de binnen- en buitenlandse actualiteit nooit ver weg. In de jaren 1950 ligt die aandacht in het verlengde van zijn karikaturen. Linkse politici krijgen er van langs, zoals bijvoorbeeld in De hoed van Geeraard de Duivel uit 1951 (in de agenda van de duivel staan de telefoonnummers van Stalin, Lalmand en Huysmans), terwijl in die Koude-Oorlogsjaren de Russen als agressors worden voorgesteld (zoals in De Gouden Vrouw uit 1954). Later neemt Sleen afstand van deze door de tijdgeest (en zijn christen-democratische broodheren) bepaalde inzichten. Hij veroordeelt elke vorm van geweld en pleit voor een betere en mooiere wereld. De actualiteit speelt dan nog mee, maar eerder als decor (bv. de allusies op de aanslagen van de CCC in De verdorven stad uit 1985), terwijl de politici af en toe (soms letterlijk) om het hoekje komen kijken. Sleen oordeelt niet meer, maar knipoogt naar de aandachtige lezer. Hij geeft hem zijn allerindividueelste opvattingen mee over wat er in de maatschappij gebeurt (van vrouwenemancipatie over milieuproblematiek tot terrorisme en oorlog). Partij- of ideologische standpunten blijven achterwege. Geen opgestoken (onder)wijsvingertje meer. De lezer neemt mee wat hij wil en geniet in de eerste plaats van de nonsensicale humor van de meester-tekenaar.

De tentoonstelling is gratis toegankelijk en loopt van 28 november tot en met 10 januari 2004 in de KADOC-pandgangen. Open van maandag tot vrijdag van 9 tot 17 uur; zaterdag van 9 tot 12.30 uur; gesloten op 24, 25 en 31 december 2003 en op 1 januari 2004.
De beknopte catalogus is uitverkocht, maar kan hier worden gedownload.

Meer informatie over het Gentse luik van de tentoonstelling vindt u op www.gent.be/spa. De catalogus van deze tentoonstelling is ook verkrijgbaar via KADOC voor de prijs van € 32,00.